Happy B-day Gregor Mendel!

Iedereen die tot en met het zesde middelbaar biologie of natuurwetenschappen heeft gekregen, herkend deze naam wel: Gregor Mendel. De man die een nieuwe betekenis gaf aan het woord ‘monnikenwerk’ door zijn geduld in de vele en lange proeven met erwten en andere planten. Waarom ik dit artikel schrijf? Wel heel simpel: Mendel is zowat de eerste persoon die je tegenkomt als je een cursus genetica of erfelijkheid openslaat en ik heb er zo al redelijk wat opengeslagen omwille van opzoekingswerk, schoolse cursussen en gewoon uit interesse. Zijn volharding heeft ervoor gezorgd dat er een mysterie minder is voor de huidige wetenschap waardoor hij toch wel eens zelf in de bloemetjes – al dan niet erwtenplanten 😉 –  mag worden gezet.

Gregor Mendel werd geboren op 20 juli 1822 in Oostenrijks Silezië (het huidige Slovenië). Hij was een monnik met een grote interesse in de biologie. Groot genoeg om later de vader van de genetica te worden genoemd.
Gregor hield zich bezig met het bestuderen van planten in een klooster en na een verloop van tijd stelde hij enkele hypotheses voorop:
– de eigenschappen van gameten kunnen worden beschouwd als vaste eenheden (=allelen) en de combinatie van twee van die eenheden zou bepalen wat voor eigenschap er tot uitdrukking zou komen in een volgende generatie;
– Hierbij kan het bijvoorbeeld voorkomen dat de ene eenheid dominant is over de andere, en dat die dominante eenheid dus tot expressie zou komen;
– Bij de vorming van de gameten krijgt iedere gameet willekeurig een van deze twee eigenschapseenheden toegewezen, en voor een andere soort eigenschap kan het een andere eenheid betreffen.

Om zijn hypotheses te testen, zoals ieder goed wetenschapper doet, ging hij verdiepen in de planten van het klooster. Hij hield nauwkeurig bij welke plant welke was door ze te nummeren. Ook hield hij bij welke plant welke bestoof en hiertoe moest hij persoonlijk de stampers bestuiven met een penseel en de meeldraden wegknippen om ervoor te zorgen dat er geen vertekening voorkwam op zijn resultaten. Op die manier probeerde hij statistiek te bedrijven.

In totaal selecteerde Mendel 22 verschillende erwtenvariaties en kruiste hen, op de hier bovenstaande manier.  Hij volgde zeven verschillende kenmerken op, zoals, onder andere, de structuur van de erwten (glad of gerimpeld) en de vorm (hoekig of rond) en de kleur van de bloemblaadjes (paars of wit).  Mendel vond dat wanneer hij gerimpeld en glad kruiste, hij erwten produceerde die allen glad waren. Maar als hij dan een nieuwe generatie erwten kruiste van de hybriden dan werden 1/4 van de erwten gerimpeld. Hij veronderstelde dat de gerimpelde en gladde erwten niet werden gemengd. Elke hybride erwt erfde beide kenmerken, maar alleen het gladde kenmerk kwam zichtbaar. In de volgende generatie, werden de kenmerken terug afgebouwd, en een kwart van de nieuwe erwten erfde twee “gladde” kenmerken, wat hen glad maakte. Mendel had ontdekt wat latere wetenschappers ‘dominante’ en ‘onderdrukte’ of ‘recessieve’ allelen noemden. Bij de bloemkleur liep het lichtjes anders: Mendel merkte dat de nakomelingen een kruising waren van wit en paars. Wat hij hier ontdekte, werd later beschreven als de eigenschap co-dominantie of partiële dominantie.

Aan de hand van deze bevindingen werden 3 wetten opgesteld. Hoewel Mendel deze wetten niet zelf heeft opgesteld, werden ze later (in 1900, 16 jaar na zijn dood) wel in diens naam beschreven door de wetenschappers Hugo de Vries, Carl Correns en Erich von Tschermak die Mendels werk waardevol vonden en hem zodoende niet beschreven als ‘prutsende monnik met verstand voor het kweken van planten’ (een titel die hem werd gegeven toen hij zijn eigen werk publiceerde in 1866).
De drie wetten, die tot de dag van vandaag nog worden gebruikt, luiden:
1) De uniformiteitswet: als je twee raszuivere individuen (die maar in één kenmerk verschillen) met elkaar kruist, dan zijn de F1-nakomelingen (nakomelingen van de eerste generatie) onderling identiek.
2) De splitsingswet: bij onderlinge kruising van individuen uit de eerste uniforme generatie (=F1) krijg je nakomelingen met verschillende fenotypen (= de uiterlijke verschijningswijze). Daarbij komen de kenmerken in een vaste getalverhouding tot uiting: 3:1 bij dominant-recessieve overerving en 1:2:1 bij partiële (of co-) dominantie.
3) De onafhankelijkheidswet: de verschillende kenmerken worden onafhankelijk van elkaar overgeërfd (indien ze op verschillende chromosomen liggen).

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

  • Lezen van Winch en genieten van het weer, met het bloemetje van Lennert Guiljam (bijna-broer).

  • Dorien Schraepen Pantene superswisssh commercial i.s.m. Vijftv, Flair en Pantene.

  • Photographer: Mark Hens

%d bloggers liken dit: